Dieterich Buxtehude was een Deense organist en componist, die uit een echte organistenfamilie stamde. Hij werd in 1637 geboren in Helsingborg, dat destijds tot Denemarken behoorde en tegenwoordig een provinciestad in het zuiden van Zweden is. Hij werd in 1668 als jonge organist benoemd aan de Marienkirche in Lübeck. Bijna veertig jaar lang stond hij daar aan het hoofd van een intens muziekleven, dat geconcentreerd was rond de liturgische diensten en de zogenoemde ‘Abendmusiken’. Dit waren concerten met orgelspel en cantates die hij daar meestal gaf op zondagavonden. In 1707 zou Buxtehude op 70-jarige leeftijd in Lübeck overlijden.

Buxtehude was wijd en zijd bekend: verschillende jonge getalenteerde organisten en componisten reisden naar Lübeck om zijn orgelspel en muziek te horen. Zo bezocht de jonge Georg Friedrich Händel in 1703 vanuit Hamburg deze beroemde concerten en in 1705 werd Johann Sebastian Bach hierdoor naar Lübeck gelokt. Bach was korte tijd daarvoor als 20-jarige tot cantor-organist in Arnstadt benoemd, maar had het daar totaal niet naar zijn zin. Hij raakte in dit stadje zelfs verwikkeld in enkele ruzies met collega-musici.

Bach vroeg in oktober 1705 bij het kerkbestuur van Arnstadt vier weken verlof aan om te voet naar Lübeck te gaan. Hij vertrok rond 18 oktober. Sommige muziekhistorici menen dat Bach ook wel graag Buxtehude’s opvolger had willen worden, ware het niet dat aan dit ambt de voorwaarde verbonden was dat hij dan in het huwelijk zou moeten treden met de 30-jarige dochter van Buxtehude, die niet bepaald een schoonheid leek te zijn.

Buxtehude heeft veel invloed op Bach gehad, zeker in diens jonge jaren. Bach vond dat hij nog wel het een en ander van Buxtehude kon leren. Het contact tussen de jonge weetgierige Bach en de op dat moment grootste componist van de Noordduitse School beperkte zich niet alleen tot luisteren. Hij bestudeerde onder leiding van Buxtehude de techniek en compositievormen van diens orgelwerken en cantates. Voor de jonge Bach was Buxtehude een rolmodel, een lichtend voorbeeld.

De ontdekking in 2006 van de vroegste muziekmanuscripten van Bach heeft bijgedragen aan de kennis van zijn roots, zijn wortels als organist en componist. Deze orgelhandschriften van de hand van Bach, nu bekend onder de naam Weimarer Orgeltabulatur, bevatten kopieën van delen uit Buxtehude’s Choral-fantasie Nun freut euch, lieben Christen g’mein en enkele orgelwerken van de in Deventer geboren organist van de Katharinen Kirche in Hamburg: Johann Adam Reincken (1643-1722). Het was deze Reincken die de orgelmuziek van de eveneens in Deventer geboren Jan Pieterszoon Sweelinck naar Noord-Duitsland bracht. Hierdoor maakten Buxtehude en Bach kennis met de muziek van Sweelinck, die leefde van 1562 tot 1621 en de belangrijkste Nederlandse componist was op het breukvlak van de Late Renaissance en de Vroege Barok.

Wat Bach van Buxtehude overnam, hoor je terug in zijn vroege cantates. Daarover gaat het volgende blog.

Op zondagmiddag 13 december zingt Bachkoor Brabant cantates en motetten van Bach en Buxtehude in de Sint-Laurentiuskerk in Breda-Ginneken. Je hoort dan de muziek van de organist naar wie Bach te voet ging, naast die van Bach zelf. Nikki Treurniet (sopraan) en Oscar Verhaar (countertenor) zingen de solo’s, met Barokorkest Accademia Amsterdam onder leiding van Geert van den Dungen. Het concert begint om 15.00 uur.

Entreekaarten voor dit concert zijn hier te koop.

Tekst: Geert van den Dungen